Het ritme van de getijden is onlosmakelijk verbonden met de cadans van de maan en de zon in ons zonnestelsel. De variatie van de afstand van een punt op aarde tot de maan en de zon is via de gravitatiewetten de motor van de getijden. De analyse van de getijdenmetingen brengt verschillende cyclische patronen aan het licht. De meest duidelijke cyclus is uiteraard deze van het halfdaagse eb en vloed, maar ook het halfmaandelijkse springtij en doodtij is duidelijk zichtbaar. De wiskunde die dit fenomeen beschrijft is een welbekende goniometrische formule die iedereen ooit vanbuiten moest leren, zonder misschien het nut te beseffen… tot vandaag!

De formules van Simpson
De onderstaande formule komt uit een reeks goniometrische formules die bekend staan als de formules van Simpson en vinden o.a. hun toepassing in de fysica bij het samenstellen van cyclische fenomenen, zoals de lunaire en solaire componenten van het getij. Het product van de cosinussen in het rechterlid geeft een interferentiepatroon.
$$\cos(\alpha)+\cos(\beta)=2\cos\left(\frac{\alpha-\beta}{2}\right)\cos\left(\frac{\alpha+\beta}{2}\right)$$
In feite zegt de bovenstaande formule op een vereenvoudigde wijze hoe het effect van de zon en de maan opgeteld leidt tot de halfmaandelijks zwevende getijden. De relatieve baan van de zon en de maan zijn tijdsafhankelijke fenomenen met een frequentie die bijna dezelfde is. En net dat kleine verschil in frequentie zal een zweving veroorzaken die we ervaren als springtij en doodtij. De hoeken $\alpha$ en $\beta$ in de formule zijn geen vaste hoeken, maar hoeken die volgens een bepaalde vaste (hoek)snelheid veranderen. Hiervoor gebruiken we het begrip hoekfrequentie $\omega$ met eenheid hoek per tijdseenheid, bv. $\frac{\text{RAD}}{s}$ of $\frac{\text{graden}}{uur}$. De variabele hoek wordt uitgedrukt als $\omega t $: hoekfrequentie vermenigvuldigd met tijd. Een cyclisch effect kan je beschrijven als een cosinus-functie waarbij de amplitude $A$ en de hoekfrequentie $\omega$ is: $f(t)=A\cos(\omega t)$.
Hoekfrequenties bepalen van zon en maan
Gezien er 360° per rotatie zijn en 24 uur op een dag, is de hoekfrequentie van de zon: $\omega_{S}=\frac{360}{24}=15 ^{\circ}/u$. Deze frequentie is eenvoudig, want onze klok is per definitie afgestemd op de relatieve rotaties tussen de aarde en de zon. De frequentie van de maan is iets ingewikkelder te bepalen. Een synodische maand (de periode tussen twee opeenvolgende nieuwe manen) heeft een periode van 29,53 dagen of 708,72 uur. Ten opzichte van de aarde geeft dit een hoekfrequentie van $\omega=\frac{360}{708{,}72}=0{,}508 ^{\circ}/u$. Aangezien de aarde zelf roteert met een hoeksnelheid van $15^{\circ}/u$ bedraagt de relatieve hoeksnelheid van de maan voor een waarnemer op aarde $15-0{,}508=14{,}492^{\circ}/u$.
Aangezien de getijden zich zowel bij de maan als bij de zon 2 maal per cyclus voordoet (aantrekking + wegslingering) moeten we de hierboven gevonden frequentie verdubbelen voor het effect van het getij. (Lees ook: Over eb en vloed: het systeem van de getijden.) Zo komen we tot de onderstaande hoekfrequenties (de index 2 duidt op het halfdagelijkse karakter van deze hoekfrequentie):
$$ \omega_{M_{2}}=2 \times 14{,}492=28{,}984 ^{\circ}/u $$
$$ \omega_{S_{2}}=2 \times 15=30^{\circ}/u $$
We herschrijven de formule van Simpson om de periodes van het getij te voorspellen:
$$\cos(\omega_{M_{2}}t)+\cos(\omega_{S_{2}}t)=2\cos\left(\frac{\omega_{S_{2}}-\omega_{M_{2}}}{2}t \right)\cos\left(\frac{\omega_{S_{2}}+\omega_{M_{2}}}{2}t\right)$$
Hierin herkennen we twee fundamentele frequenties:
$$\omega_{\text{gem}}=\frac{\omega_{S_{2}}+\omega_{M_{2}}}{2}$$
en
$$\Delta\omega=\frac{\omega_{S_{2}}-\omega_{M_{2}}}{2}$$
De periode van de gemiddelde frequentie bedraagt exact de periode van de cyclus van eb en vloed.
$$T_{\text{gem}}=\frac{360^{\circ}}{\omega_{\text{gem}}}\approx 12{,}2 \ \text{uur}$$
De periode van de andere frequentie bedraagt:
$$T_{\Delta}=\frac{360^\circ}{\Delta\omega}=\frac{720^\circ}{\omega_{S_2}-\omega_{M_2}}\approx 29{,}5 \ \text{dagen}$$
Omdat de amplitude van de omhullende zowel een positief als een negatief maximum heeft, herhaalt het patroon van maximale en minimale getijamplitudes zich om de halve periode:
$$\frac{T_{\Delta}}{2}\approx 14{,}8 \ \text{dagen}$$
Dit is precies de periode tussen twee opeenvolgende springtijen (of twee opeenvolgende doodtijen).
De formule van Simpson bracht ons van de hemel met onze voeten terug in het water, waarbij zowel de periode tussen eb en vloed als de periode tussen doodtij en springtij verklaard worden door het gedrag van de zon en de maan ten opzichte van de aarde.
Amplitudes bepalen
Wat betreft de grootte van de effecten stoten we op de grenzen van de vereenvoudiging want de formule van Simpson houdt geen rekening met mogelijke verschillende amplitudes. In realiteit is het effect van de verschillende componenten niet even groot. De getijdenkrachten zijn evenredig zijn met $\frac{\text{M}}{r^{3}}$ waarbij M de massa is van het hemellichaam en r de afstand tot de aarde is. De zon is uiteraard veel zwaarder dan de maan, maar staat ook veel verder weg. Hieruit volgt dat de maangetijden ongeveer dubbel zo sterk zijn als zongetijden. De invloed van de zon in vergelijking met de maan bedraagt zo’n $46\%$. Het gemeten gemiddelde halftijvlak in Nieuwpoort voor de periode 2011-2020 bedroeg 2,417 mTAW, Het gemiddelde tijverschil bij springtij en bij doodtij bedroeg respectievelijk 4,923m en 3,184m. Uitgedrukt in amplitudes is dit 2,462 m bij springtij en 1,592m bij doodtij. Aangezien de effecten van maan en zon elkaar versterken bij springtij en verzwakken bij doodtij kunnen we volgend stelsel oplossen om de amplitudes van maan- en zoneffect te bepalen:
$$\left\{\begin{matrix} A_{M}+A_{S}=2{,}462m \\ A_{M}-A_{S}=1{,}592m \end{matrix}\right.$$
Hieruit volgt dat $A_{M}=2,027m$ en $A_{S}=0,435m$, en dat de bijdrage van de zon in verhouding tot de maan amper $21\% $ bedraagt. Dit is op het eerste zicht merkwaardig omdat, op basis van de astronomische gegevens, je hier eerder $46\%$ zou verwachten. Dat kan verklaard worden doordat de transformatie van de astronomische getijkrachten naar het lokale getij beïnvloed wordt door tal van factoren zoals de aanwezigheid van de continenten die de stroming blokkeren, de vorm van de zeebodem en de kustlijn, de lokale resonantie van zeeën die zorgt voor versterking of demping van bepaalde frequenties en het Coriolis-effect waardoor waterstromen afbuigen onder invloed van de rotatie van de aarde. In de Noordzee heeft het effect van de maan blijkbaar een grotere resonantie dan het effect van de zon. Zo komen we tot de volgende uitdrukking voor de bijdrage aan het waterniveau voor het halfdagelijkse effect van de maan en zon:
$$h_{M_{2}}(t)=A_{M_{2}}\cos(\omega_{M_{2}} t)$$
$$h_{S_{2}}(t)=A_{S_{2}}\cos(\omega_{S_{2}} t)$$
Waarbij $A_{M}=2{,}027m$ en $A_{S}=0{,}435m$. Dit betekent dat het aandeel van de maan verantwoordelijk is voor een gemiddelde getijslag van 4 meter in onze contreien.
De beginfase van de cycli
Op een willekeurig moment is er een faseverschil tussen beide getijcomponenten en dienen we bijgevolg een beginfase $\varphi_M$ en $\varphi_S$ toe te voegen aan de respectievelijke argumenten van de cosinusfuncties.
$$h_{M_{2}}(t)=A_{M_{2}}\cos(\omega_{M_{2}} t+\phi_{M_{2}})$$
$$h_{S_{2}}(t)=A_{S_{2}}\cos(\omega_{S_{2}} t+\phi_{S_{2}})$$
Enkel op het het moment van lokale springtij zullen de beginfasen voor beide functies gelijk zijn aan 0, dat is logisch want enkel bij springtij is zowel het effect van de maan als de zon maximaal, wat zich herleidt tot een cosinus functie met argument 0.
Springtij vindt met vertraging plaats ten opzichte van het moment van volle of nieuwe maan. Hierdoor zal tussen de astronomische fase en de lokale getijdenfase ook een faseverschil zitten, die afhankelijk is van de lokale omstandigheden. Het fenomeen waarbij aarde, zon en maan op één lijn staan wordt syzygie genoemd. Bij getijvoorspellingen zal de beginfase van een component bestaan uit een parameter die afhangt van het astronomische syzygie-moment opgeteld met een andere parameter die het ouderdom van het lokale getij in rekening brengt.
Metingen versus voorspellingen
Aangezien we enkel maar de halfdagelijkse component van de maan en de zon in rekening brengen, zal de voorspelling van het getij een som zijn van twee cyclische functies. In de afbeelding hieronder zie je de cyclische functie van maan en van zon, die elk lopen met een licht verschillende frequentie. In een periode van ongeveer 14 dagen vertonen de componenten een afwisseling van constructieve en destructieve interferentie, waarbij de effecten respectievelijk in fase en uit fase (in tegenfase) lopen. Hierdoor versterken en verzwakken de effecten elkaar beurtelings.

Bij het beschouwen van de som van deze twee componenten zien we een interferentie ontstaan, die leidt tot he afwisselend optreden van springtij en doodtij. Deze interferentie vindt men terug in de trage (halfmaandelijkse) en de snelle (halfdagelijkse) frequentie van het rechterlid van de formule van Simpson. verder uit te werken. Een andere methode om deze interferentie te beschrijven is met behulp van fasoren (roterende vectoren in het complexe vlak), waarbij het reële gedeelte beschouwd wordt. (Zie ook: Over het optellen van fasoren).

Als we voor een bepaalde periode de metingen beschouwen tussen twee springtijen (hieronder afgebeeld) dan zien we eenzelfde interferentiepatroon ontstaat. De afwijkingen tussen het model en de metingen zijn in eerste instantie te wijten aan meteorologische omstandigheden, die zorgen voor opzet, en in tweede instantie ook aan de sterke vereenvoudiging van het voorspellingsmodel, want in realiteit zijn er tientallen componenten die meegenomen worden in de voorspellingen. Desondanks stellen we met enige wetenschappelijke vreugde vast dat een zeer eenvoudige model toch al een behoorlijk voorspellend karakter geeft en ook het fenomeen van springtij en doodtij voortreffelijk verklaart.

Op deze manier hebben we een fascinerende link gelegd tussen de ooit mysterieuze getijden die we op aarde waarnemen en de astronomische klok van enkele zeer bekende hemellichamen.
Lunaire en solaire groeten,
T.E.





